Een autobiografie in gedichten


Individuele begeleiding van een cursist met handicaps



Frank Klaver samen met Miriam Janssen

Dit is hoofdstuk 13 uit :‘Zaaien in de TalenTuin, oogst van een schrijfdocent’.
Saam uitgeverij 2022

Beschrijving:

Frank is midden vijftig en naast dat hij spastisch is, zijn hem nog wat psychiatrische etiketjes opgeplakt. Hij zit in een rolstoel, kan met zijn handen heel weinig en spreekt moeilijk. Hij woont in een instelling, waar ik hem eens in de twee maanden opzoek om weer een gedicht te maken. Ooit begon dit project met een verzoek van zijn zus. We werken na acht jaar samenwerking nu aan zijn derde dichtbundel, met als werktitel: ‘Hard gelag, een autobiografie in gedichten’. Als hij te veel achteruitgaat, zullen we moeten stoppen. Maar nu zijn we het nog niet moe.

Om de zoveel tijd verzamelen we een rijtje met thema’s waar we een tijd lang uit putten. We hebben onlangs het gedicht afgemaakt over Franks lievelingsbroer. Contact maken, praten met mensen is voor Frank minder vanzelfsprekend dan voor anderen, want door zijn handicap spreekt en beweegt hij steeds moeilijker: ‘Einde van een praattijdperk?’ vraagt hij zich af. Ondanks die handicap houdt hij ervan met mensen in gesprek te gaan, en dat moet voor hem echt inhoud hebben. Hij denkt na over zijn leven, over de wereld om hem heen.

Het is fijn te praten over hoe het gaat

over hoe je woont en leeft
of over dagelijks ongemak

en over wat voldoening geeft

Een keer was hij in alle staten omdat er een vlekje op zijn long zat dat misschien duidde op kanker. Hij was niet in de stemming voor het geplande gedicht (over de bezoekjes aan zijn stamcafé), maar ging in op mijn suggestie om te schrijven over zijn angst. ‘Onzekerheid’ werd een van de meest ontroerende gedichten in bundel twee:

Ik heb een zwaar gemoed
ik hoest bloed
en ik denk maar
had ik maar

Ik vroeg eens wat zijn handen vroeger konden, toen hij minder spastisch was. En hoe ze er nu voorstaan. Misschien konden we het schrijven vanuit het perspectief van de handen? Dat vond Frank eerst maar vreemd, maar hij wilde wel proberen. Uiteindelijk was hij enthousiast. Dit is het slot van het gedicht ‘Mijn handen’:

een klein kopje pakken is haast uitgesloten
sommige vingers laten mij in de steek
het zakje chips blijft alsmaar gesloten.
Wij zijn nu de handen van een ander.

We dichten ook over zijn dagelijks leven, bijvoorbeeld over cafébezoek – toen dat nog kon. Vaak zit er humor in, bijvoorbeeld in het gedicht over boodschappen doen, wat gebeurt vanuit de rolstoel: ’Feilloos vind ik mijn pindakaas, ik maak een diepe buiging voor Calvé’.

Toen ik pas bij hem kwam, had Frank altijd al een of twee regels in zijn hoofd. De rest moest daarop rijmen en ik vond dat hij zich daardoor te veel inperkte. Ik vroeg me af hoe ik Franks rijmdwang kon omzeilen. Gedichten zonder eindrijm vond hij iets voor ‘poëten’, zoals ik er een ben volgens hem. Hij is een dichter! Ik bedacht het compromis van het om-en-om-rijm, en dat geeft vrijheid: de tweede en vierde regel laten we wel rijmen, de andere niet. Frank ziet daarvan intussen echt het voordeel. Hij heeft, doordat hij alles uit het hoofd moet doen, een aardig vermogen om zelf rijmwoorden te bedenken, maar soms roepen we het rijmwoordenboek te hulp. Zelf daarin bladeren lukt hem niet, dus lees ik alle rijmwoorden voor. Frank roept als ik er een moet noteren, die we wellicht kunnen gebruiken.

In de loop der tijd is er een werkwijze gegroeid, aangepast aan Franks beperkingen. Ik heb stappen bedacht die rechtdoen aan de fases van het creatieve proces. Eerst interview ik Frank over het gekozen thema. Ik vraag hem het hemd van het lijf, over allerlei details zodat de gedichten filmisch kunnen worden, zintuigelijk. De wat- gebeurt- er precies, hoe- zijn- de- geluiden enz. trits. Ik noteer als een journalist alles wat hij zegt en neem die aantekeningen mee naar huis. Daar haal ik er een stuk of tien, twintig regels uit die misschien gebruikt kunnen worden in het gedicht. Ik typ ze uit en lees ze Frank voor als ik weer bij hem kom. Hij roept ‘ja’ als we een regel moeten bewaren, ik kruis aan en schrijf elke gekozen regel duidelijk leesbaar op een grote strook. Die stroken leg ik op tafel en ik kijk alvast of er groepjes zinnen zijn die over hetzelfde gaan. Voor één couplet van vier regels kiezen we twee regels, en wel die regels waarop je het gemakkelijkst kunt rijmen. Daarbij komen twee nog lege stroken, zodat we heel goed kunnen zien waar letterlijk nog ‘gaten’ zitten. Regel voor regel vullen we tot alle stroken beschreven zijn. Dan lees ik alles twee keer voor en brengen we nog wat verbeteringen aan. Thuis typ ik het uit en de volgende keer luisteren we nog één keer kritisch. 
De meeste gedichten krijgen drie of vier coupletten van vier regels. De laatste tijd gebruiken we soms een refreinregel, die terugkomt tussen de coupletten. Bijvoorbeeld in het gedicht over broer Wim: ‘hij is aardig, wij zijn gelijkwaardig’. Dat laatste woord is essentieel voor Frank, die zo vaak in een afhankelijke positie zit.

Deze werkwijze was wennen voor mij. In een cursus start ik altijd vanuit de pure intuïtie, eerst vrij schrijven en associëren: schrijf alles maar op, we zien wel of je het kunt gebruiken. Dat intuïtieve, brede, zit nu in het interview: eerst alle mogelijke zinnen verzamelen, daaruit een keuze maken en dan langzaam gaan kneden met het materiaal dat we hebben.
Ook het eindrijmen was ik niet gewend. Dat is gelukkig gebroken, om-en-om rijm geworden. Het blijft elke keer een kunst een eindwoord te kiezen dat redelijkerwijs wat rijmwoorden op kan leveren. Bijvoorbeeld ‘denken’ is niet zo geschikt als eindwoord van de tweede regel, want daar zijn maar weinig rijmwoorden op. Nou, dan stoppen we dat woord in de derde regel!

Deze opdracht heeft me gedwongen om heel soepel en creatief om te gaan met mijn docentgereedschap. Maar vooral ben ik in contact gekomen met een ontroerende, bijzondere man.


Miriam Janssen

www.detalentuin.nl

Contact

kijk even in je spambox, mocht de mail niet aankomen.